Log in

Klik hier om in te loggen


Wachtwoord vergeten?

Nog geen inlog? Registreer nu
Om misbruik van dit formulier door spamrobots te voorkomen, vragen wij u hier het controlewoord stowa in te vullen!

Evaluatie Gedragscode Flora- en faunawet voor Waterschappen

In juli 2006 werd de eerste gedragscode Flora- en Faunawet voor Waterschappen door de Minister van LNV voor vijf jaar goedgekeurd. Daarbij was bepaald dat de minister tot verlenging van de gedragscode kan overgaan op basis van een door de Unie van Waterschappen uitgevoerde evaluatie van de doeltreffendheid en werkbaarheid van de gedragscode. In februari 2012 is opnieuw goedkeuring verleend aan de gedragscode Flora- en faunawet voor waterschappen. Net als bij de eerste goedkeuring (in 2006) geldt ook deze goedkeuring voor een periode van vijf jaar. Dat betekent dat deze goedkeuring in 2017 verloopt. Er is daarom opnieuw een evaluatie vereist.

Op deze plek willen we u op de hoogte houden van de stappen die tot nu toe genomen zijn en welke de komende tijd zullen plaatsvinden.

Stappenplan:

Enquête

juni 2015 - feb 2016

Onderzoek naar het directe effect van schonen

en baggeren van sloten op beschermde vissoorten

juni 2015 - juni 2016
Herschrijven huidige gedragscode okt 2016 - 

 

 

 

 

 

 

Enquête

In het kader van deze evaluatie heeft Koeman en Bijkerk bv in 2015, in opdracht van de Unie van Waterschappen, een enquête onder de waterschappen uitgevoerd. Het resultaat van de enquête zal worden gebruikt als input voor de evaluatie van de gedragscode.

Het doel van de enquête was om zoveel mogelijk informatie van de waterschappen te ontvangen over het werken met en volgens de gedragscode. Door middel van de gestelde vragen moet een duidelijk beeld ontstaan of de vigerende gedragscode in de praktijk naar behoren functioneert. Ook zal uit de antwoorden worden opgemaakt of de gedragscode door iedereen op dezelfde manier geïnterpreteerd wordt, of dat de gedragscode mogelijk nog aangescherpt of meer eenduidig opgesteld moet worden en of er bij het opstellen van de volgende gedragscode nog aanpassingen moeten worden doorgevoerd.

Onderzoek naar het directe effect van schonnen en baggeren van sloten op beschermde vissoorten

Aanleiding van het onderzoek

De in de gedragscode opgenomen schadebeperkende maatregel ´het nalopen van schoonsel en bagger en het terugzetten van soorten na schonen en baggeren´ blijkt een groot knelpunt voor veel waterschappen, met name vanwege het arbeidsintensieve karakter. Ook twijfelt men aan de effectiviteit ervan. Om inzicht te krijgen in het nut en de noodzaak van deze schadebeperkende maatregel is besloten om hier nader onderzoek naar te laten doen.

Patberg W., De Bruin, A., Berg, G.J. en Kranenbarg, J. (2016). Onderzoek naar het directe effect van schonen en baggeren van sloten op beschermde vissoorten. In relatie tot de schadebeperkende maatregelen uit de Gedragscode Flora- en faunawet voor waterschappen. KenB rapport 2015-081. Koeman en Bijkerk bv, Haren.

Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de evaluatie van de gedragscode Flora- en faunawet voor waterschappen. Het is de bedoeling om de uitkomsten te gebruiken als onderbouwing bij een eventuele aanpassing van de voorgeschreven schadebeperkende maatregelen uit de gedragscode.

Vraagstelling en opzet van het onderzoek

De hoofdvraag van het onderzoek is:

Wat is het directe effect van het schonen en baggeren van sloten op de beschermde vissoorten bittervoorn, grote modderkruiper en kleine modderkruiper.

Deze vraag is beantwoord door het uitvoeren van een veldonderzoek met als doel het verkrijgen van inzicht in het aandeel van de aanwezige vissen (met name bittervoorn, grote modderkruiper en kleine modderkruiper) dat met het schonen of baggeren van de watergang op de kant terecht komt. Er is gekeken naar het effect van het type onderhoud (baggeren en schonen), maar ook naar het effect van de schadebeperkende maatregel ‘het sparen van 25% van de vegetatie’ op het aandeel van de aanwezige vissen dat op de kant belandt. Aan de hand van het aandeel dat op de kant belandt, is voor de beschermde soorten bepaald in welke mate een (lokale) populatie schade van de onderhoudswerkzaamheden ondervindt.

Het veldonderzoek

Het veldonderzoek is op 18 locaties verspreid over Nederland uitgevoerd. Op deze locaties zijn 25 trajecten van elk 250 meter onderzocht – acht baggertrajecten, tien trajecten waar 100% geschoond werd en zeven trajecten waar 75% geschoond werd, waarbij 25% van de vegetatie werd gespaard. Op elk traject is onderzocht hoeveel vissen op de kant belandden bij het schonen of baggeren en hoe zich dit verhoudt tot de hoeveelheid vissen die in de watergang aanwezig zijn.

Schade die optreedt bij schonen en baggeren

Aan de hand van het aandeel vissen dat op de kant belandt, is voor de soorten bittervoorn, grote modderkruiper en kleine modderkruiper bepaald in welke mate een lokale populatie schade van de onderhoudswerkzaamheden ondervindt. Hiertoe zijn op basis van expert judgement de volgende schadecategorieën onderscheiden: indien er minder dan 10% van de aanwezige vissen op de kant belandt, treedt er geringe schade op. Komt er 10 – 25% op de kant terecht dan spreken we van een matig effect, bij 25 – 50% treedt een groot effect op en bij meer dan 50% een zeer groot schadelijk effect.

Voor de onderhoudsmethoden baggeren en schonen zien we dat er schade optreedt aan lokale populaties van zowel bittervoorn, grote modderkruiper en kleine modderkruiper. Ook als er tijdens het schonen 25% van de vegetatie wordt gespaard. In veel gevallen betreft dit geringe of matige schade, maar ook in een substantieel aantal gevallen treedt er grote tot zeer grote schade op aan lokale populaties van deze soorten. Dit betekent dat het wenselijk is om voor lokale populaties van deze soorten schadebeperkende maatregelen te treffen.

Schadebeperkende maatregelen

In de Gedragscode worden verschillende schadebeperkende maatregelen genoemd waaronder het sparen van minimaal 25% van de vegetatie en het op de kant gedeponeerde schoonsel en bagger controleren op de aanwezigheid van beschermde soorten en terug te plaatsen.

Uit het veldonderzoek blijkt dat er bij baggeren en schonen meerdere personen nodig zijn om de vissen die op de kant terecht komen bijtijds (levend) terug te kunnen zetten. Dit maakt de maatregel nalopen van schoonsel en bagger zeer arbeidsintensief, in de praktijk moeilijk uitvoerbaar en waarschijnlijk zeer kostbaar. Dit bleek ook uit de enquête uitgevoerd onder de waterschappen. Vanuit dit oogpunt is het aan te bevelen om te kijken naar andere maatregelen om de schade te beperken.

Uit het veldonderzoek blijkt dat bij het sparen van 25% van de vegetatie het aandeel van de (beschermde) soorten dat op de kant terecht komt in veel gevallen afneemt. De werkwijze speelt daarbij waarschijnlijk een grote rol. Het schonen of baggeren van een watergang kan op verschillende manieren uitgevoerd worden en dit heeft invloed op het percentage vissen dat op de kant belandt. Factoren die hierbij een rol spelen zijn onder andere de snelheid waarmee geschoond of gebaggerd wordt, het meenemen van de bodem bij schonen en de zijde van de oever waar de vegetatie gespaard wordt.

Zo werd tijdens het veldonderzoek geconstateerd dat naarmate er sneller geschoond of gebaggerd werd er een groter aandeel van de aanwezige vissen op de kant terecht komt. Ook als er een deel van de bodem meegenomen wordt tijdens het schonen van de watergang komen er relatief meer exemplaren op de kant. Dit is met name negatief voor de beschermde vissoorten grote modderkruiper en kleine modderkruiper die zich graag in de modder ophouden of er een uitweg in zoeken. Tot slot lijkt het sparen van de vegetatie aan de oever waar de kraan staat een positief effect te hebben op het aandeel vissen dat op de kant belandt. Als de vegetatie aan deze zijde van de oever wordt gespaard wordt de maaikorf vóór de oever binnengehaald en niet langs de oever omhooggetrokken. Op deze wijze worden de vissen niet ingesloten tussen de maaikorf en de oever en kunnen ze een uitweg vinden.

Het sparen van een deel van de vegetatie in combinatie met het aanpassen van de werkwijze zou een goede mogelijkheid kunnen zijn om schade aan de onderzochte vissoorten te beperken.